free simple website templates

Motto

Het niet-bestaan bestaat niet, omdat alles bestaat.

Het ritueel heeft zijn nut, maar blijft het antwoord schuldig op de vraag of wij onze geliefden na de dood weerzien.

De titel van boven vermeld essay luidt: ‘Ik besta uit koolstof’. Het is een stelling die destijds geponeerd is door een filosoof wiens materialistische, atheïstische levenshouding door de auteur bestreden wordt.

In deze tijd is het hebben veelal belangrijker dan het zijn, het uiterlijk het substituut voor het innerlijk.

Vele mensen zijn niet in staat zich een positieve levensbeschouwing te verwerven die hen rust brengt en een heldere kijk biedt op het wezen van het goddelijke bestaan waaraan zij deelnemen.

Het moet gezegd worden: De massa werkt hard, zoekt in zijn vrije tijd verstrooiing in het entertainment dat alom aanwezig is, maar beseft nauwelijks hoe het goddelijke instrument in de schepping voortschrijdt, of werpt het van zich af, want: ‘Als de almachtige God zou bestaan, zou de wereld van alle ellende bevrijd moeten zijn.’ (zie hoofdstuk 9)

Het logische gevolg van deze opvatting is dat men alom predikt dat de mens bij de dood ophoudt te bestaan. Op de dag van de diepste rouw moet de mens die een geliefde verliest - menigmaal een kind - zich tevredenstellen met het ritueel van de dag, dat hen door zakelijke professionals wordt aangeboden. Het weten dat de geliefde na de dood voortleeft, durft men in het overheersend  


atheistische, antireligieuze milieu haast niet meer uit te spreken.

Niet alleen de massa is ongelofelijk onwetend over de ervaringen van een select groepje mensen dat inzicht verwierf in de structuur en in de wijze van voortschrijden van het goddelijke in de schepping, en over het voortbestaan van de mens na de dood. Het zijn met name de (half)intellectuelen die met hun halsstarrige ontkenning van het goddelijke de rouwende mens in de ‘levensbeschouwelijke’ kou laten staan.
De auteur stelt als doel de afrekening met het materialistische atheïsme en de overdracht van informatie die zijn levensvrienden George Ritchie, Emanuel Swedenborg, Leslie Flint, Stefan von Jankovich en Hendrik Dunnewolt over het goddelijke en het leven aan gene zijde op hun eigen bijzondere wijze vergaard hebben. Bovendien wil hij met zijn betoog de mensen die door de dood afscheid moesten nemen van hun geliefde, een riem onder het hart steken. Zijn essay mag beschouwd worden als een krachtige ondersteuning bij rouwverwerking.
Daar hij in zijn tekst menigmaal in de directe rede het woord richt tot een fictieve atheïstische loot van de filosofie, die verhardt in de materialistische benadering van de schepping, voelt de lezer zich wellicht sterker aangesproken. Dat de auteur hier enigszins badinerend voortgaat, moge een uiting zijn van zijn spot die het filosofisch materialisme bij hem en wellicht bij de lezer opwekt.