free portfolio site templates

Aller Zielen

van dit Essay

Allerzielen.
Zojuist rustte de bruin gespikkelde doffer nog op de stѐle van Engeliens grafzerk, maar nu wiekt hij met een krachtige, licht joelende slag hemelwaarts. Ik staar het levenslustige geveder na voor het in een laaghangend wolkje tot een stip verwaast. Als ik een vogel mocht zijn, dan koos ik voor de albatros. Hij is trouw aan zijn geliefde, machtig en sterk. Ik zou almaar zwevend op eindeloze hoogte dichter bij God zijn in wie bijna niemand meer gelooft.
Ik zie dat mama Benedict zich bukt. Terwijl ze het werkdoekje in de emmer met het koude sopje doopt, valt haar jas open en lijkt haar corpulentie zich te verdubbelen. Ze hijgt. Frederik, haar man, kijkt zorgzaam toe. Zijn slanke, rijzige gestalte met het zilver gekroonde hoofd straalt nog kracht uit. ‘Benedict, denk erom dat je niet met de blote knieën op de zerk steunt’, maant hij op zorgzame toon, als hij het kniematje aanreikt.
Nadat ik de campingstoeltjes en het tafeltje heb opengeklapt, stoft Lea - mijn eega - hen af. ‘Toch handig zo’n setje, als je van plan bent wat langer op het kerkhof te vertoeven’, mompel ik. Lea en Benedict zijn zussen en beiden leraressen in ruste. Frederik - emeritushoogleraar in de rechtsfilosofie, zelfs tweemaal gepromoveerd wat zijn eigendunk goed gedaan heeft - is mijn zwager. Lea ritst de kleine boodschappentas open, wikkelt uit krantenpapier vier bekers die in mijn verbeelding de thermoskan met koffie smachtend aanzien. Met ‘De koffie wordt koud, Benedict!’ maant Lea haar zus de schoonmaak van Engeliens grafzerk te onderbreken, wat haar welkom is, want het bezwete rood van haar wangen kleurt een graadje te fel.
Op een enkel wolkje na staart de hemel staalblauw, maar de zon is niet meer bij machte het steen van de dodenakker, dat zo koud en onbeweeglijk is als haar bewoners, op te warmen.
‘Engelien is al veertig jaar dood’, probeert Lea behoedzaam, maar kijkt haar zus niet aan. Benedict knikt berustend. ‘Ja’, klinkt het aarzelend. ‘Twaalf jaar is ze geworden. Ze was de zon in huis en bovenmaats intelligent. Ze las en schreef al met haar vierde en had een geheugen als van een kudde olifanten. Omdat ze een intens vriendschappelijke band met haar klasgenoten had, weigerde ze leerjaren over te slaan, waarmee het lerarencorps wel raad wist: Reeds in de toenmalige vijfde koesterde men haar begaafdheid met leerstof van de brugklas.
‘Op die inktzwarte dag zag ik mijn lieve kind voor het laatst in de spiegels van haar sprankelende ziel,’ onderbreekt Frederik de matte stem van Benedict. ‘Nu eens verschijnt haar beeld als een film, dan weer in de starheid van een foto. We gingen die dag sportkleding en schoenen kopen voor de fanatieke voetbalster. Ik was met broertje Jürgen de Lindenlaan overgestoken en stond met de rug naar de winkel gekeerd. Benedict en Engelien moesten nog wachten voor een aansukkelende vrachtwagen, maar plotseling - wellicht gevoed door een jubelend enthousiasme - wrong Engelien zich los uit de hand van Benedict en huppelde vrolijk de straat over, niet ziende dat de truck ingehaald werd door een poenige Mercedes die haar in een fractie van een seconde uit het leven rukte.’
‘Er schoot een venijnige vlam door mijn lijf’, neemt Benedict over, ‘waarvan ik nooit meer genezen ben. Vanaf die tijd ben ik hartpatiënt, zoals jullie weten. Welzeker klopt in mijn borstkas een vrouwenhart.’
‘De klap klonk dof, maar intens gemeen in haar kortheid. Het brute monster keilde ons kind wel 5 meter de straatweg op. Toen we haar in de armen namen, was haar bovenlichaam maar vooral haar hoofd onherkenbaar verminkt.’ Frederiks blik verstrakt en staart een ogenblik naar de inscriptie op de zerk:
                                      Hier rust ons lief dochtertje
                                            Engelien Gempierre
                                      12 april 1967 - 17 juli 1979.
‘Men mag weten dat elk kind, waar ook geboren, hetzij in de kerk of daarbuiten, hetzij van vrome of goddeloze ouders, door de Heer ontvangen wordt, als het sterft en in de hemel wordt opgevoed.’ Emanuel Swedenborg
‘Het is nu veertig jaar geleden dat jullie ramp plaatsvond.’ Lea neemt een slokje koffie. ‘Onze katastrofe geschiedde op een winterse dag van het jaar 1969,’ zegt Lea een helpende blik op mij werpend, maar ik laat het hoofd hangen. ‘Op de ochtend van die gure, donkere decemberdag werd Hein geboren, maar hij ademde niet. De dokter haastte zich met Hein naar een belendend kamertje. Ik werd met bed en al naar de zaal gereden en kreeg een blauwe pil te slikken, die mijn ziel rustig moest houden. In de avond ontving Hans het bericht dat ons zoontje was overleden aan hyaliene membranenpneumonie.’
‘We hoeven ons over onze kinderen geen zorgen meer te maken,’ verbreek ik de stilte. ‘Zij genieten van hun bestaan in de hemel. Bovendien, er zijn vele mensen die getuigen van een leven in het hiernamaals. Zij beleefden een bijnadoodervaring of zij deden verslag over het leven hierna, omdat hun aura voor lange tijd geopend was, zoals bij Emanuel Swedenborg het geval was. De waarachtigheid waarmee zij hun verhaal deden is indrukwekkend. De naam van Stefan von Jankovich schiet me plots te binnen.’
‘Dat geloven wij niet. Trouwens, we weten wel zeker dat het onzin is,’ zegt Frederik zijn stem verheffend.
‘Wie bedoel je met wij? Pluralis majestatis Fredericus? Ik weet wel zeker dat onze kinderen in Gods schone hemel leven. Ik moet overigens bekennen dat ik niet precies weet waarom ik dat vind. Wellicht heeft het te maken met de liefde die ik uitstraalde naar ons kind, toen ik het onder mijn hart droeg. Deze liefde is van een orde die niet verbroken kan worden.’ bitst Benedict haar man toe.
‘Wel Frederik, laat maar eens horen hoe je stelling luidt,’ daag ik mijn zwager uit.
‘Terwijl jullie filosoferen maken wij de graven van Engelien en Hein schoon, want het is morgen Allerzielen,’ zeggen de zussen bijna in koor. ‘De bloemenpracht die de graven sieren verbindt onze zielen met die van onze kinderen.’ Met deze woorden wendt Benedict zich af en wijdt zich met haar zus aan de verfraaiing van Engeliens verweerde zerk.
‘Je vraagt mijn stelling te formuleren?’ Frederiks stem klinkt spottend, uitdagend en gelijkhebberig. ‘Welnu, luisterrr..., oude Hans Fiedeldans!
De mens kan buiten zijn lichaam dat uit de bekende elementen is opgebouwd - zoals koolstof - niet bestaan. Ik bedoel daarmee dat zijn bewustzijn gebonden is aan het lichaam, aan de hersenen. Bewustzijn impliceert: Het weten of kennis hebben en opnemen en zelfs het afgeven van informatie. De kennis, de informatie kan alleen gebonden zijn aan de materie, zo niet, dan gaat zij verloren. Dat geldt dus ook voor het bewustzijn. Het behoud van informatie verloopt o.a. via het schrift. Een moderne versie daarvan is de digitaal die door de computer wordt gehanteerd. Mijn hersenen werken als een computer. Buiten de hersenen is er een ‘niets’. Dit weten we, omdat de materie (dus ook het brein) uit het niets is ontstaan, want in de natuur zien we dat met het verdwijnen van ruimte en tijd de materie verdwijnt, waardoor de opslag van informatie en de werking van het bewustzijn vervalt. Vandaar dat de ervaring van een persoon die een BDE beleeft, waarvan men beweert dat zij buiten het lichaam plaatsvindt, per definitie hallucinatoir verloopt. Ik ontken niet het bestaan van de geestelijke mens. Maar het moge duidelijk zijn dat deze geproduceerd wordt door het stoffelijke lichaam. Bij de dood gaat de geestelijke mens samen met het lichaam tenonder, omdat ik reeds heb aangegeven dat een bestaan (bewustijn) zonder de stoffelijke drager niet mogelijk is.’
Frederiks stem klinkt ingehouden triomfantelijk om mij niet al te veel pijn te doen.
‘Na jouw dood zul jij derhalve Engelien niet meer beminnen,’ laat ik me voorzichtigjes ontvallen.
Frederik nijgt het hoofd. Er valt een stilte, die ik maar snel verbreek.
‘Hooggeleerde Frederik, leen mij uw oren!’
Frederik grinnikt.
‘Ik constateer dat je nauwelijks of geen begrip hebt voor de waarachtigheid waarmee bijvoorbeeld de Hongaarse architekt Stefan von Jankovich (‘Ich war klinisch tot’ Drei-Eichen-Verlag 1985) na zijn vreselijk auto-ongeluk zijn verslag doet over zijn BDE, maar ik zal de waarachtigheid ondersteunen met feiten die volkomen logisch zijn.
Stelling 1: Alles komt voort uit een eerdere. Dat weet ik niet alleen van Swedenborg.
Stelling 2: Het is onmogelijk dat materie voortkomt uit het niets.
Ik lees een paar passages voor uit mijn boekje dat je vanwege je halsstarrige ontkenning van het voortbestaan van de geestelijke mens nog niet gelezen hebt. Let op!’
‘Er wordt gezegd dat de wereld in haar samenvatting geschapen is vanuit het niets, en aangaande niets wordt een idee van volslagen niets gekoesterd, terwijl toch vanuit volslagen niets niks wordt, noch iets worden kan. Dit is een vaststaande waarheid; en daarom kon het heelal, dat een beeld Gods is, en vandaar vol van God, niet tenzij dan in God uit God geschapen worden; want God is het Zijn zelf, en uit het Zijn moet zijn wat is; uit niets, dat niet is, scheppen wat is, is geheel en al in tegenspraak.’
‘Dit zegt Emanuel Swedenborg, wiens waarachtigheid jij nog niet in de armen gesloten hebt.
Wel Fre, dan volgt nu de logica die de waarachtigheid ondersteunt waarmee Stefan von Jankovich zijn verslag doet. Indien de materie zou voortkomen uit het niets, dan zouden oorzaak en gevolg vervallen, wat onzin is. Het ‘niets’ zou dan aan de basis van de natuur zonder aanwijsbare reden (er bestaat geen God of een andere bron) uit zichzelf gaan trillen (de kwantumwereld of de sfeer der snaren). Maar omdat het ‘niets’ niks is, kan het als zodanig geen ‘uit zichzelf’ hebben. Het kan over geen enkele eigenschap of neiging tot werking beschikken. Het ‘niets’ kan daarom geen oorzaak produceren en dus ook geen gevolg.
Toch zien we dat oorzaak en gevolg in de natuur onophoudelijk voortschrijden. Aangezien het gevolg voortdurend aanwezig is, moet het voortkomen uit een toestand of sfeer die aan de fysische wereld voorafgaat. Daarom is het fysische ‘niets’ een gevolg van het metafysische alles.
Als aan het fysische ‘niets’ geen oorzaak vooraf zou gaan, zou een gevolg vervallen (uitblijven), zou de schepping niet bestaan.’
Ik stel dat de kwantumwereld - de ‘bekende’ sfeer der snaren - voortkomt uit het metafysische veld, de astrale wereld. Denk je echt dat het metafysische brein van de overleden mens problemen heeft met het opnemen en uiten van abstracties? Nee, natuurlijk niet. Deze processen geschieden rechtstreeks zonder tussenkomst van een schrift (schrijfwijze, zoals bijvoorbeeld de digitaal), omdat kennis of informatie abstract is. Daarmee is duidelijk dat kennis of informatie uiteindelijk gebonden is aan de geest, dus niet alleen in de aardse dimensie aan de hersenen, de mediator of het ‘doorgeefluik’, maar ook aan de astrale geestelijke dimensie. Vandaar dat von Jankovich zich zijn levensfilm buiten zijn stoffelijke corpus tot in het kleinste detail herinnerde. In de aardse dimensie spelen de stoffelijke hersenen als mediator tussen het milieu en de metafysische hersenen de rol van een computer die objectief funtioneert (denkt) is men van mening vanuit een bepaalde hoek. Hoe weet ik zo zeker dat de metafysische hersenen een realiteit zijn? Omdat de mens ondanks zijn ‘objectief’ denkende ‘computer’ subjectief denkt! Je zou denken dat deze bewering een tegenstrijdigheid is, maar dit feit verwijst naar het bestaan van een persoonlijkheid, een IK (von Jankovich), een metafysische mens (met geestelijke hersenen) die tijdens het aardse leven met het stoffelijke deel verweven is. Opgemerkt zij dat het metafysische, of geestelijke lichaam langs empirische weg niet aan te tonen is, maar we merken zijn bestaan wel. Kennisnemende van Swedenborgs waarachtige getuigenissen over het bestaan van de astrale wereld en haar bevolking als basis van onze vierdimensionale wereld stel ik dat jouw dochter Engelien voor een tijd uit het zicht is, maar na jouw dood zal het beminnen een hernieuwde aanvang nemen. Stefan von Jankovich bracht verslag uit over zijn euforie niet meer beperkt te zijn door zijn stoffelijke hersenen (de mediator tussen milieu en geest) die voor een korte tijd niet meer naar behoren functioneerden. Zijn verslag muntte uit door helderheid en door een ongekende inzichtelijkheid in zijn goddelijke bestaan, met andere woorden: Zijn bewustzijn functioneerde buiten zijn aardse lichaam op fenomenale wijze, toen hij zich zijn levensfilm (in wezen een abstractie) in zijn metafysische hersenen tot in detail herinnerde, waarbij hij volstrekt niets merkte van de deplorabele toestand waarin zijn stervende lichaam zich bevond. Integendeel! Gedompeld in een ongekende euforie besefte hij voor altijd van zijn gebroken lichaam bevrijd te zijn.
Wel Frederik, jij beweert dat het uit meerdere elementen bestaande stoffelijke lichaam de geest produceert. Ik noem de elementen voor het gemak C-plus. Je stelt dat de C-plus de geestelijke mens produceert en dat deze bij de dood uitdooft. De geestelijke mens zou een kracht zijn die na de dood vervalt tot niets. Hoe heeft het lichaam deze kracht gemaakt? Kan zo`n kracht zomaar vervallen tot niets, verdwijnen in een wereld waarin alle energie behouden blijft?
Ofschoon de functionaliteit van de organen van het stoffelijke lichaam bij de dood vervalt, moeten we toch stellen dat zij uit dezelfde C-plus bestaan als die van het levende lichaam. C-plus is en blijft C-plus. Er is maar één soort C-plus. Er bestaan er geen twee. Waarom zou in het ene geval de C-plus de geest wel produceren en in het andere geval niet? Ik beperk me even tot het element C. Bedoel je dat er twee verschillende soorten koolstofverbindingen bestaan, levende en dode, geest producerende en niet geest producerende koolstofverbindingen? Nee Fre, die vlieger gaat niet op! Koolstofverbindingen produceren geen geest. Er is maar een soort koolstof C en deze is zo dood als een pier. De koolstofverbindingen van de levende, aardse mens worden door invloeiing van een ‘externe’ bron, dit is de geestelijke mens die een fractal is van de Goddelijke Geest of ook wel van de Grootste Mens, gemodelleerd en bestuurd (Swedenborg). Deze invloeiing is geprogrammeerd (het bouwplan) en gebonden aan de geest, wat we zien aan de veelsoortige vormen waarmee de schepping aan ons verschijnt.
Frederik, onze tijd is beperkt. Er zijn nog vele vragen te beantwoorden. Ik zie dat onze vrouwen bijna klaar zijn met het schoonmaken van het graf van Hein, die december aanstaande naar aardse telling in de hemel vijftig jaar oud wordt. Als ik je interesse gewekt heb, dan sla je de kaft van mijn boek eens om, waarna de bespreking op later tijdstip volgt. Ik zal je vertellen over de Hemelse Zon (Swedenborg), over het Hemelse licht, waaruit het aardse licht voortkomt en waarvan de schepping is gemaakt, die aan het einde der tijden weer zal vervallen tot licht, zoals de Duitse fysicus Harald Fritzsch voorspeld heeft, dat weer zal worden opgenomen door de Hemelse Zon via dat ene ‘grote’ zwarte gat dat langzaam tot stand komt. Dat laatste voorspel ik, omdat het logisch is. Wenst God, in wie het mannelijke en vrouwelijke verankerd zijn, dan een nieuwe schepping, omdat Hij met Zijn wijsheid de liefde almaar in beweging houdt? Heb ik je nieuwsgierigheid gewekt?
Terwijl jij nog een kopje volschenkt voor jezelf, been ik even naar de dames.’
‘Benedict, kijk daar! Hans komt ons assisteren. Jouw Frederik zit nogal onderuitgezakt op zijn stoel. Hij heeft het niet breed. Zijn gezicht staat op droef. Zou Hans het verleden rondom Engelien weer opgerakeld hebben? Toch niet in detail? In godsnaam niet!’
‘Fris weer is goed weer om flink te poetsen.’ zeg ik geforceerd opgewekt. Ik zie dat Benedict met licht gebogen hoofd toekijkt hoe Lea zich van het karwei kwijt. Het rood van haar wangen is verdoft tot het grauw van de smart. Dan strekt zij de armen met het doekje in de hand. Vouwt zij de handen tot een gebed?
‘Wanneer het steen is afgedaan dan ziet het er nog goed uit,’ zegt ze. ‘Normaal gesproken heeft het veel te lijden in zon en wind. Ik ben bijna klaar met Heins zerk.’
Lea moest maar ophouden met poetsen, de afdekplaat van de grafzerk optillen, met een ruk opzijwerpen, het kistje openen en Hein bevrijden, fantaseer ik. Dan zou ze mij Hein springlevend aanreiken en ik zou hem in mijn armen sluiten, aan mijn borst vlijen en nooit meer loslaten. Niet huilen, houd je in. Haal een paar keer diep adem. Met je heftig opspelende gevoelens belast je alleen maar je vrouw, bovendien maak je jezelf van streek. Ik moet Lea in de gaten houden. Ik moet er niet aan denken dat ze ineenzijgt van verdriet. Laat ik dadelijk mijn arm om haar schouder leggen.
‘Wat had mijn Engelientje niet kunnen worden? Ze zou de dagen met vreugde gevuld hebben, ons, haar ouders, maar ook de mensen in de buurt getild hebben uit de droefheid van het leven waaraan we allen lijden.’ schudt de stem van Benedict mij wakker. ‘Wat is het prachtig, wanneer je ziet hoe een kind het leven veroveren gaat. Iedere dag gaat het spreken al beter, wordt het handiger in zijn spel. Je ziet het onder de beschermende hand van de liefde groeien dat het machtigste wapen in de schepping is. In het brandpunt van haar menswording stuwden onze liefde en de hare elkaar op. Op zeker uur mocht het niet meer zo zijn.
Wat voor zin heeft het dat God schept en tegelijkertijd vernietigt, terwijl Hij weet dat wij daardoor verdriet hebben, voorts niet meer gelukkig leven kunnen? Wat zei de dokter ook alweer, toen hij ons na de ramp bezocht? ‘De vreugde van het verwekken is het fundament van de dood,’ mompelde hij. Ja, dat mompelde hij! Heeft Frederik dan toch gelijk als hij beweert dat het leven alleen de illusie geeft van de liefde?’
Lea komt met haar werkdoekje in de buurt van Heins inscriptie. Het is maar een kleinigheid als je de rest van de zerk hebt gedaan! Moet ik er wat van zeggen? Hans steekt geen vinger uit. Ze ziet Heins volledige naam die door roet en andere ongerechtigheden is besmeurd. Waarom negeert ze het inschrift? Vervelend! Verwacht ze van mij dat ik de smoezelige letters schoonmaak? Ze moet toch begrijpen dat ik dat niet kan opbrengen!
Alle mensen gaan een keer dood. Het zijn steeds de andere mensen die gaan en nadat zij hun levenshuls hebben achtergelaten zijn ze in de omstandigheid dat ze hun geliefde weerzien, wat hun liefde voor de eeuwigheid veiligstelt, waardoor iedere twijfel als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dan komt er een dag dat de levenden zullen zeggen dat ik afscheid heb genomen, maar omdat ik me mijn overgang niet kan voorstellen, heb ik het gevoel dat het zo eindeloos lang duurt voordat ik Engelien zal weerzien, maar toch kan het vanavond zomaar gebeuren. Ik heb de idee dat het wel nooit zal komen, maar is dat geen bewijs van mijn eeuwigheid? De mensen kunnen zich het niet bestaan niet voorstellen ook al belijden dat sommigen met de mond. Het eeuwige zijn is gegrifd in onze ziel, al ontkennen dat zovelen, zoals mijn Frederik, waardoor ik mij vaak eenzaam voel in mijn opvattingen over de liefde, maar is zijn muil niet erg dwars geworden door de teleurstelling die de kerk hem in zijn jeugd bezorgde, waardoor hij het goddelijk kind met het kerkelijke badwater weggooide?
   
‘Ik zal Hein weerzien! Het mag niet te snel zijn, nee dat niet, want ik moet voor Hans zorgen, en wat moeten de kleinkinderen zonder mij beginnen? Ik ben nog zo nuttig.’ klinkt Lea beverig, schril.
Nadat Lea de afdekplaat van algen en andere ongerechtigheden heeft ontdaan, zwoegt zij voor de tweede maal aan de letterplaat van het grafmonument - het zijn de finesses begrijpt Benedict - maar Lea vermijdt zorgvuldig iedere aanraking met de naam van haar engel.
‘Ook de harde borstel heeft zijn werk goed gedaan. ‘Zal ik het van je overnemen, Lea? Je zit al zo lang op je knieën?’ zeg ik bezorgd.
‘Dat is niet goed. Straks heb je pijn,’ vult Benedict aan.
 ‘Het gaat wel. Ik ben nog een jonge meid.’ Lea zucht en veegt met de mouw haar voorhoofd en haar wangen, waarin een lichte blos is weergekeerd.
Het doekje wordt door het water gehaald, wat krachtiger uitgewrongen, dan volgen de allerlaatste streken. Moet je mijn Lea zien met dat doekje in de hand, zo zielig ineengedoken, geheel van de wereld af! Wat lijkt ze klein en hulpeloos. Wanneer zal het tij keren? Mijmer ik.
 ‘Lea, nu komt het belangrijkste. Was jij de inscriptie af! Dat is jouw taak. Jij hebt de eer. Ik wil en mag Heins naam niet ontheiligen.’ bezweert Benedict.
Het ontgaat Benedict niet dat een nerveuze trek Lea’s gezicht een moment ontsiert.
Lea’s hart schiet haar in de keel. Haar armen worden als lood.
‘Het water is vuil. Mag ik Hein hiermee wassen? Moeten we niet schoon water halen bij de kraan?’
‘Welnu, dat duurt wel even, maar laat maar. Het water is niet zo troebel,’ zeg ik. Lea doet een onzekere stap naar voren, zet beverig aan, laat het doekje bijna uit haar hand vallen, dat dreigt weg te glijden over de vochtige letterplaat. Haar mond vertrekt zich en de tranen biggelen over haar wangen. Met haar linker elleboog zoekt ze steun op de stѐle die hoopvol naar de hemel wijst. Ik doe een stap voorwaarts en leg mijn hand op die van Lea. Samen wassen we ons kind. Wat vlammen de eerste letters hoog en intens op. Verdofd waren ze geweest door het vuil van de stedelijke hemel, maar nu lichten zij vurig op in hun roodheid, blinkend door hun witte rand. Ja, zo had ik de naam ingekleurd met witte en rode buitenverf, nadat de graveur zijn werk had gedaan. Heel lang geleden.
Na het gedane werk ontmoeten mijn geheven handen elkaar, de vingertoppen beroeren mijn mond, ik sluit krachtig de ogen en verlang hevig naar het trouwe evenwicht in mijn gemoed.
   
***